Een jaar geleden was er een verhitte persconferentie met vicepresident Ameerali. De regering had net de Surinaamse dollar gedevalueerd, er dreigden stakingen en de pasgevormde coalitie begon al scheurtjes te vertonen. Hoe lastig de vragen ook waren, Ameerali deed zijn best om openheid van zaken te geven. Plots stelde een journalist de vraag wat Ameerali vond van de conflicten die speelden rond de pas gehouden Miss Suriname verkiezingen. In een vlaag van plaatsvervangende schaamte wilde ik de bewuste journalist met mijn laptop op het hoofd slaan, maar Ameerali gaf op zijn eigen charmante wijze duidelijk te kennen dat hij, gelet de situatie waarin het land verkeerde, geen onzinnige vragen over een nog onzinniger onderwerp als een missverkiezing zou beantwoorden. De media kwamen woorden tekort. Ameerali was arrogant en in de maanden daarna zouden hij en de media regelmatig met elkaar overhoopliggen.
Het recente verslag van Reporters Without Borders (RSF), waarin een index is opgenomen met betrekking tot de stand van de persvrijheid in de wereld, heeft voor tweespalt gezorgd binnen de Surinaamse media. Een groep die de mening is toegedaan dat het absurd is dat Suriname met sprongen vooruit is gegaan op de index en een groep die zich er wel in terug kan vinden. Op de vraag waar ik sta moet ik het antwoord eerlijk gezegd schuldig blijven, alhoewel ik neig naar de laatste groep. Ik ben nu ruim 13 jaar werkzaam in de media. Ik ben radio-omroeper geweest, journalist bij de voorloper van de Parbode, redactielid bij Suriname Vandaag en columnist. De keren dat ik ooit ben geconfronteerd met druk en censuur vanuit de politiek was tijdens mijn werk voor Suriname Vandaag, de periode toen het programma nog de moeite waard was om naar te kijken. Die druk was niet afkomstig vanuit kringen rond de huidige president, maar was afkomstig vanuit de regering Venetiaan-Sardjoe.
Als columnist leg je soms je vinger op open zenuwen in de maatschappij. Het gevolg is dat ik een brievenbus vol dreigmailtjes en scheldkanonnades heb waar ik overigens trots op ben, want als je als columnist nooit mensen tegen de haren instrijkt, dan doe je je werk niet goed. Maar eerlijkheidshalve moet ik zeggen dat ik nooit enige druk van de regering Bouterse-Ameerali heb ondervonden. Mensen waarschuwden me dat als ik kritische columns over Bouterse cum suis zou schrijven ik niet alleen het gevaar liep een handgranaat naar mijn hoofd geslingerd te krijgen, maar dat mijn bedrijf ook opdrachten vanuit de overheid zou verliezen. Niets is minder waar. Integendeel. De opdrachten vanuit de overheid zijn juist toegenomen en als klap op de vuurpijl worden de rekeningen zelfs sneller betaald dan onder de vorige regering.
Voor veel zichzelf journalist noemende personen, is de journalistiek gewoon een baantje om brood op de plank te krijgen en stopt het nieuws voor hen om een uur of vier ’s middags wanneer ze de deur achter zich dicht trekken. Op persconferenties verwachten ze dat politici zondermeer het achterste van hun tong laten zien en het liefst zelf het touw aanreiken waarmee ze in de media kunnen worden gelyncht. Wanneer dit niet gebeurt, of wanneer een kabinetschef of een Cliff Limburg ze afblaft, schreeuwen ze moord en brand en onderdrukking van de pers. Flauwekul. Als je daar niet tegen kunt of niet weet hoe je aan je verhaal moet komen wanneer iemand weigert je te woord te staan, dan zit je in het verkeerde vak en moet je schaafijs gaan verkopen.
Natuurlijk is daar ook de olifant in de kamer waar niemand over praat. Voor journalisten is het een bittere pil om te moeten erkennen dat onder het bewind van dezelfde persoon die ruim dertig jaar geleden verantwoordelijk was voor de dood van onze vakbroeders en het opblazen van mediahuizen, er nu sprake is van persvrijheid. Dat die rekening nog moet worden vereffend staat buiten kijf, maar zouden wij deze discussie dertig jaar geleden zo openlijk hebben kunnen voeren?