Vlak voor mijn vertrek naar Italië luisterden Rashida en ik samen naar het nieuws. Daarin werd het opmerkelijke bericht vermeld, dat Apenpokken voornamelijk wordt overgebracht door mannen die homoseksuele betrekkingen hebben. Rashida keek een seconde op van haar telefoon. “Dus als je terugkomt van Italië met Apenpokken, dan weet ik wat je hebt uitgespookt,” Ze ging weer verder met haar telefoon en keurde me verder geen blik meer waardig.
Het was zo een typische, hinderlijke vrouwenopmerking. Een heleboel sarcasme, maar met genoeg venijn in de staart zodat je als man niet weet of het grappig bedoeld was of doodserieus. Er bestaat geen goede of neutrale manier hoe je hier als man op kan reageren. Lachen is dodelijk en zwijgen verdacht. Ik stootte daarom maar een of andere keelklank uit en mompelde iets ondefinieerbaar dat zelfs voor mij onverstaanbaar was.
Ik ben tussen mijn benen volledig monogaam en trouw. Echter als ik zou beweren dat er in mijn hoofd nooit een onwelvoeglijke gedachte of seksuele fantasie oppopt zou ik liegen. Ik kan me alleen niet heugen dat zich daar ooit een homoseksuele variant tussen bevond.
Ik ben nu onderweg naar Florence en loop op een van de grootste hubs van Europa, Roma Termini, naar mijn trein. Ik loop tussen duizenden roggelende, hoestende en transpirerende forenzen en toeristen waarvan de meeste zonder mondkapje rondlopen.
Terwijl ik op het perron op mijn trein sta te wachten begint mijn lichaam spontaan te jeuken.
Oh God, laat het Covid zijn en geen Apenpokken.